Category Archives: Blogs

Mitch Hendriquez…Overleden door stress?!

15 nov 17
R.A. de Jong
No Comments

Recent is het proces begonnen van agent DH01 en DH02, degene die (in)direct verantwoordelijk zouden zijn voor het overlijden van Mitch Hendriquez. De ene zou de nekklem hebben aangelegd en de andere heeft de peperspray gehanteerd en klap(pen) uitgedeeld. Volgens een forensisch patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut is er sprake geweest van “manuele” verwurging. De liggende agenten op hem kunnen mede van invloed geweest zijn voor het overlijden.

Wat schetst mijn grote verbazing als ik via de media lees dat de patiënt overleden is aan een aandoening die vooral in de psychiatrie voorkomt. De dood van deze patiënt zou mogelijk veroorzaakt kunnen zijn door A.S.S.  Afkorting van Acuut Stress Syndroom. Ik draai al de nodige jaren mee in de gezondheidszorg maar deze kreet is voor mij in de huidige setting nieuw. Ook is het voor mij nieuw dat je aan deze aandoening acuut kan overlijden. In de literatuur is er ook weinig over te vinden. De meer gangbare benaming van deze stoornis is acute stressreactie of psychische shock. Men spreekt hiervan als de symptomen binnen 2 dagen optreden en maximaal vier weken duren.

Ja, dat eerste klopt wel. Het was namelijk binnen een kwartier of twintig minuten al foute boel. Het argument dat er een verhoogde hartslag optreedt klopt ook, dat is een normale lichaamsreactie als je dreigt te stikken, dat dit adrenaline verhogend werkt zal een normaal mens niet verbazen. Dat je vervolgens een hartstilstand krijgt klopt ook als een bus. Immers zonder ademhaling geen bloedcirculatie. Omgekeerd is het net zo, geen bloedsomloop …dan stopt de ademhaling na verloop van tijd vanzelf. De vraag is dan ook niet waardoor de dood veroorzaakt wordt. Dat antwoord kan iedereen verzinnen. Het antwoord is hypoxie, of te wel een gebrek aan zuurstof, daar gaat namelijk iedereen aan dood.

Er zijn gevallen bekend van mensen die acuut overleden naar aanleiding van een acute heftige gebeurtenis, maar deze werden zeker niet altijd voorafgegaan door enige vorm van geweld.

Laat ik voorop stellen dat ik niemand veroordeel maar wel mijn twijfel uitspreek over de uitlatingen die men doet met betrekking tot de doodsoorzaak van Mitch. Een ASS is een psychische stoornis en kan gelinkt worden aan de veelvoorkomende Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS). Daar ga je niet acuut aan dood! Mitch was kerngezond en niet bekend met ziektes of aandoeningen maar toch was hij na een half uur dood. Als het voorval niet had plaatsgevonden had hij nu nog springlevend rondgelopen. Mitch heeft foute opmerkingen gemaakt en/of keuzes gemaakt. Aan de hand daarvan probeerde men hem aan te houden. Hierdoor zijn er onverwachte en onvoorziene situaties ontstaan die niemand heeft gewild. Mitch niet en de betrokken agenten niet. Als Mitch had kunnen vermoeden dat de opmerking of zijn verzet tot de dood zou leiden had hij zich zeker niet zo gedragen. Hetzelfde geldt voor de agenten, zonder aanleiding hadden ze hem niet aangehouden of onder controle proberen te krijgen. Natuurlijk heeft zijn aanhouding en daarmee gepaard gaande handelingen zijn dood in elk geval bespoedigd. Zoals ik in mijn eerdere blog geschreven heb is het niet onderkennen van de ontstane, niet gewenste situatie, essentieel. Was er op tijd ingegrepen met behulp van reanimatie dan had hij een goede kans kunnen hebben omdat hij immers aan geen enkele ziekte leed.

Ik ben geen patholoog-anatoom of specialist in hart-, long- of vaatproblemen, maar wel een hulpverlener die voelt dat hier iets niet klopt. Als ik iemand de keel dichtknijp of  nek omstrengel zal hij door zuurstofgebrek bewusteloos raken en bij het continueren hiervan komen te overlijden. Eén plus één blijft twee, linksom of rechtsom.

Actie-Reactie. Wordt je ooit aangehouden zorg dan dat je hartritme niet te ver oploopt want voor je hebt weet lig je op de grond met ASS en hebben de nabestaanden handvatten om de betrokken te vervolgen. Het ene heeft geleid tot het andere, met een desastreuze afloop. Oordeel zelf.

Ik wens de nabestaanden van Mitch en de betrokken agenten veel sterkte, wijsheid en kracht toe in deze tumultueuze dagen.

Onthouding tot de dood erop volgt!

03 okt 17
R.A. de Jong
2 comments

Op mijn telefoon verschijnt een whatsapp bericht: “Kan je mij bellen in verband met een dringende privé aangelegenheid?”

Ik herken de afzender en zulke berichten hebben vaak te maken met medische- of verpleegkundige vragen. Als je in de gezondheidszorg werkt weten mensen je vaak snel te vinden. Soms gaat het om advies en soms om daadwerkelijke hulp zoals in dit schrijnende geval.

Ik besluit gelijk om terug te bellen en ben benieuwd waar ik mee  geconfronteerd zal worden.

Het gaat om een familielid die voor een korte periode persoonlijke verzorging nodig heeft. Ik krijg wat algemene informatie en vraag of het goed is als ik de volgende dag langs kom om een inschatting te maken van de situatie en gelijk kennis te maken met de patiënt om wie het gaat. Het gaat hier overduidelijk om een privé situatie waarbij geen anderen betrokken zijn met uitzondering van de huisarts.

Zaterdagavond rond de klok van acht uur arriveer ik op het eerder opgegeven adres. Ik kom binnen in een keurig appartement waar twee honden me uitgebreid begroeten. De huiskamer zit behoorlijk vol, de hele familie heeft zich rond een leunstoel gegroepeerd. Ik stel me aan iedereen voor en neem plaats op een krukje naast de patiënt. We geven elkaar een hand en stellen ons voor.

Ik vraag hem wat ik voor hem kan doen en wat hij van mij, als verpleegkundige, verwacht.

Hij begint aan zijn verhaal … Drie jaar geleden is zijn vrouw overleden en vanaf dat moment is de zin van het leven, of beter gezegd de zin om te leven in rap tempo afgenomen. Zijn 96e verjaardag is geweest en ouder wil hij niet worden. Op het oog had ik hem hooguit 80 jaar gegeven.

Kennissen en bekenden van hem zijn inmiddels overleden en wat overgebleven is zijn kinderen en kleinkinderen die nog naar hem omkijken. Deze familieleden hebben hun eigen leven, gezin en bezigheden en, zoals je zo vaak hoort, wil hij zijn kinderen niet tot last zijn. Het grootste deel van de dagen en maanden zit hij moederziel alleen in zijn appartement en telt letterlijk de uren af tot het einde van zijn leven.

Alleen met zijn gedachten en angsten, denkend aan zijn vrouw waar hij zolang mee samen was. Voor hem is het leven geen uitdaging meer, vreugde heeft plaats gemaakt voor somberheid, de wens om uit het leven te stappen wordt met de dag groter. De maaltijdverzorging vanuit een nabij gelegen verzorgingshuis, waar hij gebruik van kon maken, is door bezuinigingen opgeheven. Het alternatief was met een taxi naar een verzorgingshuis een eind uit de buurt. De tijd die hiermee gepaard ging was niet in verhouding tot de tijd die hij nodig had om te eten.

De dagen slepen zich voort en hij overweegt de mogelijkheden die er zijn om het leven te beëindigen. Hij vertelt dat geen enkele arts iets voor hem kan betekenen. Hij is nog te gezond in de ogen van de medische hulpverleners. Psychisch lijden of klaar zijn met het leven om wat voor reden dan ook, is nog steeds niet bespreekbaar laat staan uitvoerbaar. Het advies wat ze kunnen geven is: “Zorg maar dat je in een terminaal stadium terecht komt, dan kijken we verder. Op zijn vraag hoe hij dat stadium moet bereiken, kwam het volgende antwoord: “Begin met een volledige hongerstaking” Het advies wordt gegeven anno 2017 en stamt helaas niet uit de Middeleeuwen.

In zijn geval is er geen sprake van uitzichtloos medisch lijden waardoor je als patiënt tussen wal en schip beland. Je moet bijna dankbaar zijn als je een ernstige aandoening hebt die euthanasiewaardig is. Dan heb je het geluk dat je geholpen wordt als je zelf de tijd er rijp voor acht. Zelfmoord plegen door bijvoorbeeld van het balkon te springen is geen optie voor hem, hij heeft zijn waardigheid en wil ook niet dat anderen een traumatische ervaring oplopen door zijn handelen. Ondanks zijn eigen ellende heeft hij denkt hij nog aan anderen.

Terwijl  ik naast hem zit en ik aandachtig luister valt het me op hoe hij helder van geest hij is ondanks het feit dat hij al ruim een week niet meer eet en drinkt.  Ik geloof dat ik niet eens meer zou kunnen praten als ik dagen niets gedronken had. De temperatuur buiten is die week regelmatig rond de 24o graden  Celsius. Ik krijg diep respect voor zijn beslissing en doorzettingsvermogen. Het gaat hier om een man van 96 jaar die vastbesloten en weloverwogen een beslissing genomen heeft.

Hij vertelt dat hij zijn hoop gevestigd had op een kabinet die eindelijk het recht op zelfbeschikking met betrekking tot overlijden zou regelen want dan had hij van die mogelijkheid gebruik kunnen maken. Maar de verkiezingsuitslag bleek anders uit te pakken en heeft verdere hoop de grond ingeslagen. Er rest hem geen andere mogelijkheid dan gebruik te maken van het medische advies wat hem gegeven is, namelijk de handreiking uit de Middeleeuwen.

Kalm vertelt hij me hoe angstig de dood hem maakt. Ik ga de confrontatie niet uit de weg en zeg dat al naar gelang de dood dichterbij komt er vaak een soort berusting voor in de plaats komt. Een totale overgave tegen het onafwendbare.  Te vaak worden dit soort  gesprekken op cruciale momenten vermeden, men weet niet wat te zeggen of hoe ermee om te gaan en probeert het onderwerp zoveel mogelijk te vermijden, terwijl het voor de patiënt zo vreselijk belangrijk is. Toch blijft het voor de meesten te confronterend en kan of wil men er niet te diep op ingaan. Eerlijkheid en openheid is vaak hun enige houvast.

Ik vraag hem wat hij van mij verwacht de komende tijd en hij geeft aan dat persoonlijke hygiëne altijd heel belangrijk is geweest voor hem en hij het fijn zou vinden als ik hem om de dag kan helpen met douchen en scheren. Terug naar de basiszorg die ik jaren niet meer uitgevoerd heb maar wat ik zeker niet verleerd of vergeten ben.

Ik pak zijn hand vast en zeg: “Ga je mee douchen?” Hij glimlacht en maakt gelijk aanstalten om op te staan. Het helpen met douchen is voor mij een kleine moeite en ik merk hoe goed het hem doet. Met weinig inspanning kan je vaak al zoveel betekenen voor iemand.

Na het weekend verslechtert zijn conditie in rap tempo en krijgt hij van de huisarts een morfine pleister, een paar dagen later gevolgd door een morfinepomp. Eigenlijk is dit niet meer nodig want zijn lichaam heeft na bijna twee weken van ontbering de strijd zelf opgegeven. De medicatie is mosterd na de maaltijd. Als deze therapie twee weken eerder ingezet was had het leven voor hem een stuk aangenamer kunnen eindigen en had er niet zo een strijd aan vooraf hoeven te gaan.

Ik bewonder zijn moed en doorzettingsvermogen.

Maar ik heb helemaal geen centjes voor de begrafenis!

22 jan 17
R.A. de Jong
9 comments

Lang geleden, nooit vergeten…als de dag van toen!

Het is aan het eind van de middag als er meerdere meldingen binnenkomen over een zeer ernstig ongeval op de provinciale weg. We kennen deze weg als een plaats waar vaker zware ongevallen voorkomen. De meldingen die gedaan worden door passanten van het ongeval zijn divers, sommigen spreken over meerdere doden en anderen over zes, zeven zwaargewonden waaronder kinderen.

Uit de meldingen kunnen we opmaken dat het goed mis is. Wij vertrekken als eerste ambulance en de centrale gaat meerdere ambulances vrijmaken die ze naar het ongeval kunnen sturen. Ik weet uit ervaring dat het een rot gevoel is om als eerste ambulance aan te komen bij een ongeval waar je meerdere gewonden aantreft. Ik bereid me erop voor dat het geen standaard ongeval is en zeg tegen mijn collega: “Ik ben benieuwd wat we aantreffen, aan de meldingen te horen is het behoorlijk heftig”. Hij knikt en concentreert zich op het rijden. Ik ben blij dat ik met een ervaren collega rijd, dat is bij dit soort meldingen een geruststellende gedachte, als je weet wat je van de ander kan verwachten en hoe hij werkt.

Na een minuut of zes arriveren we nog vóór de politie en brandweer bij het ongeval. Over tientallen meters zien we spullen over de weg verspreid liggen, kleding, kinderspeelgoed en kinderfietsjes. In een flits schiet er door mijn hoofd: Er zijn kinderen bij betrokken, hoeveel, hoe ernstig? De beide auto’s hebben zich frontaal in elkaar geboord en zijn volledig verwrongen. Aan de achterzijde kunnen we zien om wat voor auto het gaat, aan de voorzijde is niet meer te zien om welk merk het gaat. Ik zeg tegen mijn collega: “Bereid je maar op het ergste voor, dit is heel hard gegaan”. Hij zegt: “Ja ik zie het, wat een ravage”. We parkeren de ambulance deels naast het dichtstbijzijnde voertuig om de omstanders het zicht op het ongeval te ontnemen en stappen uit.

“Eerst snel kijken hoeveel gewonden er zijn en hoe ernstig ze eraan toe zijn” zeg ik tegen mijn collega. Hij zegt: “Ik zie een man of vijf zes die allemaal bekneld zitten, ik vraag alvast om vijf extra auto’s en de brandweer”. Mooi zo, hij houdt van aanpakken en weet precies wat ik van hem verwacht. Ik kijk in de eerste auto en zie twee patiënten die gewond zijn maar allebei nog aanspreekbaar, ik vertel hun dat er meer hulp onderweg is en loop naar de tweede auto. Ik kijk naar binnen en zie dat de bestuurder is overleden, ik buig verder de auto in en voel de halsslagader van de vrouwelijke bijrijder: geen polsslag en gebroken ogen. Ook overleden. Ik hang half over de voorstoel en probeer de achterbank te bereiken. Shit, twee jonge kinderen. Met trillende vingers zoek ik de halsslagader op en voel naar pulsaties, niets te voelen, nog een keer proberen, nee geen hartactiviteit, en de oogjes zijn dof. Ik slik en wend mijn gezicht af. Ik kijk naar het andere kindje en zie de borstkas bewegen.

Ik schreeuw naar mijn collega: “Dit kindje leeft nog, waar blijft die brandweer? Hij moet er zo snel mogelijk uit, ik kan er niet bijkomen zo”. De auto is zo verwrongen dat ik nergens ruimte heb om in het voertuig te komen. Ik kan net met mijn uitgestrekte hand bij hem komen en met mijn vingertoppen kan ik zachtjes over zijn wang aaien. Hoe oud zal dat ventje zijn? Zeven jaar, misschien acht. Terwijl ik hem over zijn wang aai, vraag ik om een laken om de overleden ouders en zijn zusje af te dekken. De brandweer is gearriveerd en zij vragen aan mij: “Waar wil je ons als eerste hebben?” Ik zeg: “Hier, dit kind moet er als eerste uit, de rest kan wachten”.

De brandweer begint met het klaarzetten van de bevrijdingsmaterialen en de gewondenverzorger van de brandweer probeert een stuk afdekfolie tussen het jochie en het raam te krijgen zodat ze het achterraam eruit kunnen halen zonder het jongetje te verwonden. Vlak daarna moet het achterraam er met een centerpons aan geloven. Ik zeg: “Even wachten jongens, dan kan ik kijken of zijn vitale functies in orde zijn”. De brandweer maakt ruimte en ik kan nu eindelijk via het open raam iets beter bij hem komen. Ik voel naar de halsslagader en controleer de ademhaling. De pupillen reageren goed op licht en ik zie hoe de oogleden bewegen. Ik kan geen uitwendig letsel vinden op een paar schaafwonden na. Waarschijnlijk heeft hij weinig letsel opgelopen, de rechter achterzijde van de auto is het minst vervormd. Ik schud hem aan en langzaam opent hij zijn ogen. Met grote schrikogen kijkt hij me aan en vraagt wat er gebeurd is. Ik vertel dat er een ongeluk geweest is met de auto. “Waar zijn mijn pappa en mamma?  vraagt hij. Gelukkig wordt het zicht naar voren belemmerd door de folie en de lakens die over zijn ouders heen liggen. “Straks” zeg ik tegen hem, “we gaan eerst jou uit de auto halen, hoe heet jij?” Ik ben Bart en mijn zusje heet Ilse. Hij kijkt naar links en vraagt waarom er een laken over zijn zusje heen zit. Ik stap snel over op een ander onderwerp en vertel dat de brandweer de auto open moet knippen om hem eruit te kunnen halen en dat de lakens bedoeld zijn om te voorkomen dat hij stukjes glas in zijn ogen krijgt. Dit antwoord stelt hem even tevreden en hij stelt geen vragen meer. Met een nieuwsgierige blik kijkt hij naar de vele brandweermensen. Ik geef hun een seintje dat ze verder kunnen gaan met het bevrijden van het slachtoffer.

Inmiddels zijn er meerdere ambulances gearriveerd en ze komen me vragen waar ze moeten beginnen. Ik dirigeer de tweede ambulance naar het andere voertuig en vraag aan de verpleger of hij de rest van de auto’s wil instrueren. Ik wil zelf bij het kind blijven dat nu bevrijd wordt. Na een kleine vijftien minuten is er voldoende ruimte gemaakt met de hydraulische schaar en spreider dat we het kind uit de auto kunnen tillen.

Ik zeg tegen hem: “Heb je ergens pijn? Kan je je armen en benen bewegen?” Ik probeer zo luchtig mogelijk tegen hem te praten en hoop maar dat hij geen gerichte vragen gaat stellen. Hij geeft snel antwoord op mijn vragen en wonder boven wonder blijkt hij niks te mankeren op een paar blauwe plekken en schaafwonden na. Nogmaals kijk ik of ik niks over het hoofd zie maar ik kan geen letsel ontdekken. Misschien dat hij inwendig letsel heeft maar daar lijkt het op dit moment niet op.

“Kom maar kerel, sla je armen om mijn nek dan zet ik je in de ambulance. Heb je daar wel eens ingezeten?” Hij schudt ontkennend zijn hoofd. Met zijn armen stijf om mijn nek geklemd en mijn handen om hem heen geslagen loop ik naar de ambulance en laat hem op de brancard zakken. Ik kijk hem aan en zeg: “Ik wil nog één keer kijken of je niets mankeert en wat kleine onderzoekjes doen. Ik zal je geen pijn doen en ook geen prik of zoiets geven, is dat goed?” Hij knikt en laat zich nog een keer uitgebreid onderzoeken. Ondertussen probeer ik wat vragen te stellen over de toedracht.

Hij vertelt dat ze onderweg zijn naar een camping een paar kilometer verderop. Ze zijn gelijk nadat pappa uit het werk kwam vertrokken. Ik vraag hem waar hij woont en de woonplaats ligt niet verder dan twee uur rijden van de plaats van het ongeval. Een relatief klein ritje. Hij vertelt verder dat zijn pappa een beetje slaap had en dat mamma had gezegd dat ze dan beter even konden stoppen om wat te eten en te drinken. Pappa zei dat het nog maar een klein stukje was en dat ze net zo goed wat op de camping konden eten of drinken. Ineens had hij mamma horen gillen en verder wist hij niet wat er gebeurd was. “Wat is er gebeurd dan, hoe komt de auto zo stuk?” Waar zijn mijn pappa en mamma en waar is Ilse, zitten ze nog in de auto?”

Hoe moeilijk ik het ook vind, ik kan hem niet langer in onzekerheid laten. “Ja Bart, ze zitten nog in de auto”. “Ga je ze zo halen?  Ik wil naar pappa en mamma” begint hij te snikken. “Kom eens bij me zitten Bart” zeg ik, “jullie hebben een heel zwaar auto ongeluk gehad en de brandweer is bezig om pappa, mamma en Ilse uit de auto te halen”. Ik raap al mijn moed bij elkaar en zeg: “Bart ik moet je iets heel ergs vertellen,  je pappa en mamma leven niet meer”. “En mijn zusje” vraagt hij? “Is alles goed met Ilse?” “Nee Bart, ik vind het heel erg om te zeggen maar Ilse is ook overleden”.

Hij kijkt me met rode betraande ogen aan en snikt: “Zijn pappa en mamma en Ilse echt dood?” Ja Bart ze zijn allemaal dood hoor ik mezelf zeggen, mijn mond is kurkdroog, ik moet zorgen dat er professionele opvang komt voor hem. Hij veegt de tranen van zijn wangen en zegt met een bibberend stemmetje: “Maar ik heb helemaal geen centjes voor de begrafenis!”

Deze zin spookt al jaren door mijn hoofd. Zijn uitspraak heeft op me ingehakt, de onmacht en radeloosheid waar ik destijds mee geconfronteerd werd, heeft veel indruk op me gemaakt. Misschien heeft de impact die het op mij heeft gehad ook te maken met het feit dat ik zelf kinderen heb en ik mezelf ongemerkt de vraag stel: wat als dit mijn kind zou overkomen. Waarom blijft na honderdduizenden opmerkingen en uitdrukkingen van patiënten deze ene pakkende zin door mijn hoofd spoken? Ik denk omdat hij afkomstig is van een radeloos en volslagen onwetend kind. Ik vraag me af hoe zijn verdere leven is verlopen en of het nu goed met hem gaat.

De uitspraak van Bart is de titel van mijn eerder verschenen boek geworden.

http://www.boekenbestellen.nl/boek/maar-ik-heb-helemaal-geen-centjes-voor-de-begrafenis/9789081840002

Hulpverleners…Pak ze!

08 jan 17
R.A. de Jong
6 comments

Maandelijks, wat zeg ik, dagelijks is er sprake van intimidatie, vernedering, mishandeling en noem maar op. Hulpverleners, en voornamelijk agenten moeten het ontgelden. Jaren terug stond Ivo Opstelten met natte ogen te vertellen dat geweld tegen hulpverleners keihard aangepakt moet worden. Waarschijnlijk heeft hij de tekst doorgespeeld naar zijn opvolger Ard van der Steur. Even een voorgeprogrammeerd tekstje voorlezen op Nieuwjaarsdag of op een ander gedenkwaardig moment.
Het gepeupel opnieuw in slaap sussen met dezelfde holle frasen als zijn voorgangers. Verontwaardigd doen, afschuw uitspreken, ernstig kijken in de camera en dan snel weer leuke dingen doen buiten het zicht van de media. Het interesseert ze geen ene moer wat er met de hulpverleners gebeurt en de impact die het heeft op hun gezinnen en hun toekomst.

Jaren terug was ik op vakantie in Gambia en raakte daar aan de praat met een lokale politieagent. De opleiding die hij genoot was relatief kort en er zaten enkele vaste onderdelen in zijn opleiding. Verkeershandhaving, wetboek van strafrecht in grote lijnen en nog een paar aanvullende vakken. Lang niet zo professioneel en kundig opgeleid als de agenten in Nederland. Kreten als racisme, etnisch profileren en noem maar op, komen niet als meerkeuze vragen in hun opleiding voor.
Zinloos sociaal en maatschappelijk gewenst gewauwel ook niet. De lijnen zijn kort en duidelijk. Geen hond die het in zijn hoofd haalt om een agent in zijn gezicht te spugen. Mocht je die neiging wel hebben, bedwing hem, want na een paar seconden ben je al je tanden kwijt en kan je snuit door een plastisch chirurg gereconstrueerd worden, als die daar in de buurt tenminste praktiseert.

Ik vertelde hem hoe het in de staat der Nederlanden eraan toe gaat en in eerste instantie dacht hij dat ik uit mijn nek liep te kletsen, totdat ik hem confronteerde met de werkelijkheid en bijbehorende beelden. Onbegrijpelijk en volstrekt onvoorstelbaar vond hij het. Tolerantie die in dit land geen grenzen kent ten koste van de eigen hulpverleners. Voetbalwedstrijden, waar bijna meer agenten dan publiek op af komen en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Toen ik daar op het strand liep, was het lastigvallen van toeristen door locals schering en inslag. Er werd van alles aangeboden en met veel pijn en moeite kwam je van ze af. Oppassend dat je niet te gek deed, want dan werden ze pas echt vervelend. Vanaf het moment dat ik deze agent leerde kennen en ik lastig gevallen werd door een lokale verkoper van kralen, meloenen en houtsnijwerk, was een korte stoot op zijn fluit voldoende om ze af te laten druipen. In Nederland zou dit het signaal voor de aanval zijn tegen de hulpverleners. Zijn kwaliteiten bestaan uit een cursus fluiten en hardlopen. Zijn wapen: een lange twijg.

Ik ben getuige geweest van een massale vechtpartij bij een kooigevecht zonder kooi. Alles en iedereen ging met elkaar op de vuist en als toerist heb je dan toch een onbehaaglijk gevoel als je op een paar meter afstand van het gevecht aanwezig bent. De plaatselijke agent kwam in zijn eentje in looppas aandraven, 2x fluiten, een paar harde keelklanken en het gevecht werd acuut beëindigd. Niks geen agressie naar deze (enige) aanwezige agent. Respect voor deze wetshandhaver stond hoog in het vaandel en niemand die aanstalten maakte zijn gezag in twijfel te trekken.
Een iets andere situatie dan bij ons. Hier worden raddraaiers toegesproken alsof ze bij de psychiater op de bank liggen. Ieder woord wordt afgewogen, want voor je het weet ben je de Sjaak als hulpverlener. Bejegening, racistisch, bevooroordeeld alles wordt in de strijd gegooid om de hulpverlener in het stof te laten bijten.

Een bestuurder rijdt met ca 50 km/uur een motoragent van zijn sokken…240 uur taakstraf, geen poging tot doodslag, want met 50 km/uur kan er volgens deze kenner weinig gebeuren. En bij een celstraf krijgt zijn personeel de zak. Logisch argument. Dus hoe meer personeel je onder je hebt, hoe gekker je kan doen en hoe lichter je straf wordt.
Een scooterrijder krijgt na het negeren van een stopteken, in verband met mogelijke betrokkenheid bij een inbraak, een zet van een motoragent en komt ten val. Grove onvoorzichtigheid en onverantwoord, luidt het oordeel van de rechter. Natuurlijk is dit wel poging tot doodslag volgens Justitie. Later wordt dit weer teruggedraaid. Een dag cel, 29 dagen voorwaardelijk en 120 uur werkstraf. En nog logischer € 2000 schadevergoeding. Maar ja, hij heeft ook geen personeel onder zich, alleen zijn gezin.

En opnieuw is dit geen incident, wel een bevestiging dat de rechterlijke macht een slappe hap is. 90% van de agenten geeft aan dat ze van de politiek niks meer verwachten. Dat is dus zowat het hele politieapparaat. De 10%, die niet genoemd zijn, zullen wel op goed betaalde posten zitten of mooie functies bekleden waarin je beter kan horen, zien en zwijgen.

En anders is er altijd nog de etnisch profileren “app” die nog wat extra bewijsmateriaal kan toevoegen aan het dossier van de verdachte, wat ongetwijfeld door een handige advocaat in het voordeel van de verdachte uitgelegd kan worden. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat daders veroordeeld worden? Want wie moet Justitie vervolgen als er geen agenten meer zijn?

 

 

Te smerig voor woorden

30 mrt 16
R.A. de Jong
2 comments

 

De melding is kort en onduidelijk, het zou gaan om een verwaarloosd persoon in een woning.

De vrouw bevindt zich in een woning op de eerste verdieping. Het gaat hier om een zogenaamde portiekwoning. De melding komt van de politie, die voor onze komst de deur al geforceerd hebben. Bij het binnentreden slaat ons een walmende strontlucht tegemoet. We staan pas in de hal en hebben nog geen patiënt gezien. De lucht is zo overheersend en bedwelmend dat we in de hal al beginnen met kokhalzen. Qua geuren zijn we wel wat gewend, maar soms is het teveel van het goede en moeten we echt ons best doen onze maaginhoud binnen te houden.

In de huiskamer bevindt zich een leunstoel waarin een vrouwelijke patiënt zit. Ze is volledig ontkleed en niet aanspreekbaar. Ze haalt adem en heeft een normale gelaatskleur, voor zover dit door de bruine drab heen te beoordelen is.

De hele kamer zit onder de stront, niet een klein hoopje in de hoek van de kamer, nee de hele woning is onder gesmeerd. Vloerbedekking, muren en meubels, alles wasemt de lucht van uitwerpselen uit. Even pas op de plaats en terug voor beschermende wegwerpkleding. Gelukkig hebben we handschoenen en een wegwerpschort in de auto liggen. Ik ben door mijn werk heel wat gewend, ook uitwerpselen zijn mij niet vreemd. Maar in deze hoeveelheden overtreft het mijn ergste nachtmerrie. Hoe kan iemand zoveel stront produceren? Gezien de hoeveelheid kan het nooit van één dag zijn. Het lijkt of er wel koeien in het appartement gefokt worden.

Te midden van deze smeerboel zit de patiënt in haar leunstoel. De zooi zit van haar gezicht tot aan haar enkels. Ze is minstens veertig keer naar het toilet geweest. Alleen is ze er niet voor opgestaan zo te zien. Shit zeg, wat een shit. De aanwezige agenten staan en masse te kokhalzen en het vervelende hiervan is dat als er één begint met braakneigingen de rest ongewild hetzelfde gedrag vertoont. We zijn door de vuiligheid niet bij machte om de woning verder te betreden. De agenten maken steeds meer kokhalzende geluiden en ongewild beginnen we mee te doen. Mijn collega kan zich niet langer beheersen en keert in de huiskamer zijn maag binnenste buiten. Lekker appetijtelijk, ik moet me inhouden om niet hetzelfde te doen.

Ik duw hem richting hal en probeer door veelvuldig slikken mijn eigen braakneigingen en de zure smaak die optreedt te onderdrukken. Het braaksel kolkt achter in mijn keelholte en er is niet veel voor nodig om het voorbeeld van mijn collega te volgen. Me over te geven aan dat alles bevrijdende gevoel dat me dwars blijft zitten.

Fijn werken met al die behulpzame mensen om me heen. De agenten hebben zich ondertussen teruggetrokken uit de huiskamer. Mijn maat blijft kokhalzen en ik kan het nog net binnenhouden. De patiënt zit nog steeds roerloos op de stoel, ze zit daar al de nodige uren, misschien wel dagen en een hersenbloeding lijkt me de meest voor de hand liggende diagnose. Echt objectief beoordelen kan ik het nog niet. Bah, wat een smerige vertoning hier. Deze klus hoort thuis bij de ontsmettingsdienst van de gemeente, niet bij ons. Op z´n zachtst gezegd uitermate vervelend en triest dat er een levende patiënt bij betrokken is. Hoe ellendig ik me ook voel, ik moet er naar toe en handelend optreden, daar ben ik voor aangenomen. Slikkend doe ik weer een paar stappen richting slachtoffer, maar ik moet na het goedbedoelde initiatief weer afhaken. Het is weerzinwekkend. Ik kan gewoon niet bij haar in de buurt komen, het is zo ranzig en smerig dat ik opnieuw terug moet trekken.

De tranen staan inmiddels in mijn ogen door het langdurig onderdrukken van mijn braakreflex.

Ik probeer de rest aan te sporen: “Kom op nou jongens, we moeten wat doen, dit kan zo niet.” Gelijk slik ik weer een hap braaksel door. Aanpakken nou, want dit komt niet goed op deze manier. Ik heb toch wel vaker smerige klussen gedaan denk ik bij mezelf. De patiënt geeft geen enkele reactie op wat er om haar heen gebeurt. Onze aanwezigheid wordt niet bewust waargenomen. We besluiten om eerst alle ramen open te zetten. De aanblik van de vuiligheid proberen we zoveel mogelijk te negeren en we spuiten een paar gevonden luchtverfrissers helemaal leeg. Op de plek waar we ze vandaan halen zien we dat het toilet tot de rand toe vol zit, er kan niks meer bij. Gewapend met een laken voor onze lichamen, benaderen we de patiënt. Zonder de patiënt aan te raken gooien we het laken om haar heen. Nu kunnen we, als we haar verplaatsen, redelijk strontvrij blijven.

We wikkelen haar verder in het laken en besluiten om haar in een lijken zak te vervoeren. Die kunnen we tot de hals dichtritsen en blijft de brancard en de rest van de auto tenminste schoon. De noodzakelijke controles doe ik wel als ze in de ambulance ligt. Ten eerste hebben we daar frisse lucht en kunnen we materialen uit de auto gebruiken waar het schoon is. De spoedkoffer in die smeerbende uitpakken is geen frisse oplossing. Ten tweede is de stank ondanks de luchtverfrissers nog steeds ondragelijk. Zorgen dat we buiten komen en onze magen rust geven is nu eerste prioriteit.

De patiënt is nog steeds niet aanspreekbaar en krijgt gelukkig niets mee van de problemen die ons bezig houden. Het transport uit huis gaat eveneens langs haar heen. In de auto sluit ik haar aan op de apparatuur en worden de noodzakelijke controles en handelingen uitgevoerd. Ik ben benieuwd naar de reactie op de spoedeisende hulp. Aan hun de dankbare taak om de patiënte schoon en toonbaar te krijgen. Ik benijd ze niet.

Na afloop van de rit hebben we uitgebreid gedoucht en de gebruikte kleding in de was gekiept. De koffie kunnen we goed binnen houden, maar de eerder die ochtend gekochte saucijzenbroodjes blijven in de zak zitten. De maag is nog een tikje van streek na het hele gebeuren. De andere collega’s hebben die dag  mazzel: wij geven zomaar wat weg!

Waar komt die uitdrukking `te smerig voor woorden´ eigenlijk vandaan?

Meer lezen? http://www.boekenbestellen.nl/boek/maar-ik-heb-helemaal-geen-centjes-voor-de-begrafenis/9789081840002

Jan, de trucker. Wanneer stopt het eindelijk?

03 mrt 16
R.A. de Jong
3 comments

es09ronalddejong

Jan is al meer dan 35 jaar vrachtwagenchauffeur op de internationale routes. Inmiddels is hij 56 jaar. Tien jaar lang al staat zijn leven in het teken van angst. De dag dat hij met zijn truck door het drukke verkeer manoeuvreerde en hij bijna op de plaats van bestemming aankwam. Die dag ging het gruwelijk mis. Ondanks zijn voorzichtige rijstijl, zijn honderdduizenden kilometers ervaring en alle mogelijke veiligheidsmiddelen zoals spiegels rondom, camera’s buiten de auto en stickers op de truck die waarschuwen voor de dode hoek.

Jan heeft al drie keer gekeken voordat hij de bocht instuurt. De weg is vrij. Terwijl hij optrekt lijkt er een lichte trilling in zijn stuur voelbaar. Hij ziet mensen met hun armen zwaaien, ze dwingen hem tot stoppen. Jan stampt in een reflex op de rem en vliegt de cabine uit. Zijn ergste angst wordt na tientallen jaren werkelijkheid. Een klein kind ligt onder zijn truck. Geen enkele beweging, alleen bloed….veel bloed. Een vrouw staat er gillend bij. Ze zit totaal buiten zinnen, half onder de truck, naast haar kind en spreekt hem toe. Omstanders die proberen om het kindje onder de truck vandaan te trekken en hem te reanimeren. Jan staat erbij en kan alleen maar toekijken. Hij ziet de hulpeloosheid van de moeder, het angstige kijken van de omstanders. Hij merkt dat zijn eigen blik telkens weer naar het drama getrokken wordt. Niemand die hem aanspreekt of weghaalt van die confronterende aanblik.

De aanwezige hulpverleners formeren een ring om het kind heen. Portofoonverkeer klinkt van alle kanten, een helikopter hangt boven de plaats van het ongeval en zorgt dat alle ogen zich even verplaatsen naar de plaats boven het ongeval. Het vijf minuten eerder gearriveerde ambulancepersoneel neemt de reanimatie van de omstanders over, agenten houden het publiek op afstand. De brandweer plaatst schermen om het slachtoffer heen. Voor de grote horde belangstellenden wordt er ineens een stuk minder zichtbaar van het gruwelijke tafereel. Wat is dat toch met de medemens? Wat bezielt ze om massaal te kijken naar de ellende van een ander? Realiseren ze zich geen moment dat het ook hun kind had kunnen zijn die daar nu onder die truck ligt? Kinderen die op de schouders getild worden, zodat ze geen enkel fragment van de hulpverlening hoeven te missen. Met wat geluk kunnen ze zelfs nog een glimp opvangen van het slachtoffer en er op een later tijdstip wat over vertellen. Iedereen is zo op zijn eigen manier druk bezig met het slachtoffer.

Jan, het potentiële slachtoffer, moet wachten tot er iemand is die tijd voor hem vrij kan maken. Hij had er alles voor over gehad om er niet bij te hoeven zijn.Misschien dat het bureau slachtofferhulp wordt ingeschakeld of een andere instantie. Vaag hoort hij de opmerkingen van de aanwezige toeschouwers. Ook al dringt het niet echt tot Jan door wat ze zeggen, er klinken veel negatieve geluiden uit het publiek. Ook onbewust zullen deze woorden in Jan zijn geheugen opgeslagen worden samen met de beelden en geluiden die hij hoort. Jan zal de rest van zijn leven elk moment van de dag deze details (ongemerkt) toelaten in zijn gedachten. De vraag is of Jan dit tragische ongeval een plek zal kunnen geven. Hij heeft een kind doodgereden. Er is geen sprake van opzet of grove nalatigheid. Met de insteek dat het domme pech is en dat Jan er natuurlijk niets aan kon doen, wordt het schuldgevoel bij Jan echter (helaas) niet naar de achtergrond verdrongen. Ook hij zal, net als de nabestaanden, dagelijks geconfronteerd worden met dit leed.

Jan probeert al jaren om te gaan met deze gevoelens en er zijn weinig mensen die in de gaten hebben hoe Jan in de loop van de jaren verandert en hoe hij hier psychisch aan onder doorgaat.

Totdat Jan na zoveel jaar opnieuw geconfronteerd wordt met een zeer schokkende gebeurtenis:

Zijn verhaal vertelt hij hier:

ROT OP ALS JE LEVEN JE LIEF IS!

23 feb 16
R.A. de Jong
No Comments

Patiënten met schedelletsel kunnen onrustig of agressief zijn. Een enkele keer zijn ze niet te benaderen en te behandelen. Het letsel kan zo heftig zijn dat het zelfs leidt tot een gevaarlijke setting voor hulpverleners die hulp komen bieden.

Een redelijk gezette schilder valt van een bouwsteiger. Hij weegt zonder overdrijven rond de honderdzestig kilo. Hij is aan de achterzijde van een vrijstaand huis bezig met schilder werkzaamheden. Om onbekende reden (misschien zijn overgewicht) is de complete steiger waar hij op staat te werken omgekukeld en vervolgens boven op hem terecht gekomen. We komen gelijktijdig met de politie aan en worden opgewacht door een familielid van de patiënt. De neef geeft ons een korte toedracht van het ongeval. In colonne lopen we naar de achtertuin en het eerste wat we zien is een bewegende steiger. We kijken naar dit bijzondere fenomeen en zien dat er iemand onder de metalen constructie vastzit. Volledig onder het bloed sleept de patiënt de loodzware steiger op zijn rug mee door de tuin. Het is een beer van een vent en ik ga er vanuit dat hij gewoon te benaderen is. Hij zeult met de stellage rond en is bij bewustzijn, dus misschien valt het allemaal mee. Een tweede nauwkeuriger blik levert een minder rooskleurig beeld op, hij is dan wel bij bewustzijn maar niet bij zinnen. Dit kan een probleem gaan worden.

Ik probeer hem aan te spreken en als een getergd dier kijkt hij me aan. “Rot op, ik vermoord je als ik je in mijn klauwen krijg” gromt hij. Foute boel, fors schedelletsel en hierdoor volledig onberekenbaar. Als we een stap in zijn richting proberen te zetten onderneemt hij pogingen om de dichtstbijzijnde persoon bij zijn kladden te grijpen. Als hem dat lukt gaat iemand van ons het afleggen. De agenten kijken me met vragende ogen besluiteloos aan en wachten op instructies. Zeg maar hoe je het wilt broeder. Ja, wat wil ik? Even alles op een rij zetten, want zo’n agressie heeft niemand ingecalculeerd. De hoofdzaak is dat hij rustiger wordt, maar dat kan alleen gebeuren als ik in zijn buurt kan komen en deze mogelijkheid kan ik uitsluiten. Ik stort al jaren in een pensioenfonds en het is zonde als deze inzet zou leiden tot een pensioenbreuk. Actief ertussen springen is op alle fronten af te raden. Ik word er niets wijzer van en de patiënt is er niet bij gebaat. Ik schat mijn kansen in. Onverwachts overmeesteren met behulp van politie is geen reële mogelijkheid. Hij heeft ernstig schedelletsel en zeker wervelletsel op meerdere plekken. Het optreden met harde hand zal leiden tot een verergering van de letsels en verslechtering van zijn toestand, mogelijk de dood tot gevolg hebbend. Dat risico mogen we niet nemen en we moeten snel een alternatief verzinnen.

De situatie is zorgelijk en uitermate ernstig. Ik gebaar de agenten om terug te trekken en binnen gehoorafstand te blijven. Nog eenmaal onderneem ik een poging tot contact maar ook dit moet ik beëindigen als hij en de steiger als een speer mijn richting uit komen. Volgens zijn neef is hij normaal een joviale vent, makkelijk in de omgang en altijd in voor een geintje. Daar is nu weinig van te merken, of ik heb de verkeerde soort humor. We trekken ons terug en de rust keert weer als we afstand creëren. Ik besluit dat hij in ieder geval medicatie moet krijgen om rustiger te worden zodat we over kunnen gaan tot behandeling en vervoer. Ik zoek contact met een bevriend dierenarts om één en ander te overleggen en te kijken welke mogelijkheden er zijn. Lettend op het gevaar moeten we de zaak niet provoceren en als we hem via een afstand kunnen sederen (kalmeren) heeft iedereen de beste kansen. Ik confronteer de dierenarts met mijn probleem. In eerste instantie denkt hij dat ik hem een geintje wil flikken, maar al naar gelang het gesprek vordert merkt hij dat het menens is. Hij vertelt me hoe een en ander in zijn werk gaat (Ik heb geen idee hoe en met wat voor medicatie hij gewend is te werken). Hij heeft inderdaad de beschikking over een verdovingsgeweer maar de medicatie is een probleem.

Technisch gezien zou het een fluitje van een cent zijn: aanleggen, mikken, pijltje in de kont en hij doet geen vlieg meer kwaad. Het grootste probleem is het verschil tussen medische en veterinaire medicatie. Het verdovingsgeweer kan maximaal 1ml bevatten en zijn dosering is 500x sterker dan de onze. Wij willen een dosis van 100-150 mg via de bilspier toedienen om hem rustig te krijgen. Onze dosering krijgen we nooit in de ampul van 1 cc. Een bijkomende complicatie is dat Ketamine primair een contra indicatie is bij een schedeltrauma. Het hele plan valt hiermee in duigen. De patiënt ligt ons van onder de steiger aan te staren en houdt nauwlettend in de gaten of er niemand zijn territorium binnen komt. Het crashteam alarmeren? Vier weten meer dan twee. Oké, we kunnen niet wachten tot hij ter plaatse geneest van zijn letsel en de klok tikt door. Voordat het traumateam er is, zijn we dik een half uur verder. De patiënt blijft stabiel en behalve naar ons loeren onderneemt hij geen actie en tot meewerken is hij niet te motiveren. Na ruim drie kwartier arriveert het crashteam per auto. In onderling overleg wordt er gekozen voor een afleidingsmanoeuvre, niet zonder risico, maar inmiddels zijn we meer dan anderhalf uur ter plaatse. Als we niet opschieten, gaat hij dood zonder enige vorm van hulp. We kiezen ondanks de contra-indicatie voor 600 mg Ketamine, een zogenaamde narcotische dosis. In de medicijnvoorraad van het traumateam is het dusdanig geconcentreerd dat we alles in een 10 cc spuit kunnen krijgen. Ik benader de patiënt aan de voorkant en praat op hem in. De chirurg van het traumateam maakt een omtrekkende beweging en besluipt hem van de achterzijde. Langzaam krijgen we hem zo gedraaid dat hij klem komt te zitten in de op zijn rug hangende steiger en ziet de chirurg zijn kans schoon om vliegensvlug de spuit in zijn achterste leeg te drukken. De injectieplaats is niet nauwkeurig bepaald. Het feit dat het aan boord komt weegt zwaarder dan de hygiëne eisen en insteek plaatsen die in de boeken voorgeschreven zijn. Mocht er een bloedvat geraakt worden tijdens het injecteren dan is dat alleen maar een voordeel. Via het bloed wordt het immers sneller opgenomen dan via de spieren. Voordat de spuit geheel leeg gedrukt is, wurmt de patiënt zich in een houding dat hij meer armslag krijgt en kantje boord ontspringt de chirurg de gevaren zone.

Nu is het afwachten en kijken hoelang het duurt voordat de onvrijwillig toegediende medicatie zijn werk doet. Na een kleine tien minuten wordt hij suffer en is hij niet meer in staat om bewust van zich af te meppen. Eindelijk kunnen we hem adequaat behandelen. Zijn forse postuur is niet geschikt voor de wervelplank met fixatiebanden. Hij is te geproportioneerd om volgens de richtlijnen gefixeerd te worden. We besluiten om hem op zijn buik te vervoeren. Dit is de houding die hij zelf gekozen heeft nadat de medicatie ingewerkt is. Vooroverliggend op de brancard en lekkend van het bloed presenteren we hem op de spoedeisende hulp. De overdracht wordt mondeling gegeven, voor schriftelijke verslaglegging hebben we geen tijd vrij kunnen maken. Hij gaat direct naar de CT-scan en het letsel wat te voorschijn komt overtreft onze verwachtingen ruimschoots. De nek is op drie verschillende plaatsen gebroken (goed dat we niet gekozen hebben voor overmeesteren), twee kapotte borstwervels en in het hoofd worden diverse bloedingen gezien. Eén long is geperforeerd en er zit lucht en bloed in de borstholte. Meerdere ribfracturen zijn het minst ‘ernstige’ letsel. Hij heeft maanden gerevalideerd en is nagenoeg restloos ontslagen. Of hij weer als schilder werkt is niet bekend, misschien controleert hij nu bouwsteigers op stevigheid. Deze patiënt is niet coöperatief te noemen, anderen zijn juist te meewerkend en door hun nonchalante houding kun je qua letsel op het verkeerde been gezet worden.

Meer lezen? http://www.boekenbestellen.nl/boek/maar-ik-heb-helemaal-geen-centjes-voor-de-begrafenis/9789081840002

Hou me vast en ik blijf leven!

21 jan 16
R.A. de Jong
3 comments

We hebben mazzel dat we met twee auto’s op de post zijn en gelijk samen op pad kunnen. Het is een paar minuten rijden van de post en we komen tegelijkertijd aan bij het huisadres. De andere verpleegkundige is een oude rot in het vak die er de nodige jaren op heeft zitten en ook het een en ander gewend is met betrekking tot onverwachte gebeurtenissen. De patiënt op de huiskamervloer ligt met open ogen naar boven te staren. De borst gaat op en neer wat duidt op een ademhaling. Als ik hem zo zie liggen schiet me een opmerking te binnen; “Er brandt licht maar er is niemand thuis.” Treffender kan het niet uitgedrukt worden denk ik. Primair gaat het om een reanimatie. Alleen lijkt de situatie iets vreemder, want normaal zijn deze patiënten mimiekloos en dat is bij deze patiënt zeker niet het geval. Aansluiten aan de monitor, het scherm licht op en we zien een chaotische hartactiviteit. Vreemd, ik verwacht een normaal ritme in plaats van een fibrillatie. De patiënt ademt en kijkt gefixeerd naar het plafond. Niet het prototype van een normale reanimatiepatiënt. We laden de hartmonitor op en geven de eerste stroomstoot. Met deze stroomstoot wordt de chaotische hartactiviteit stilgelegd en een tweede blik op het monitorscherm geeft nu een acceptabel en normaal hartritme te zien. De ademhaling is niet adequaat en we besluiten om over te gaan tot intubatie. Ik manoeuvreer de lepel voor de beademingsbuis in de mond. De patiënt begint te bijten op het ijzer en krijgt een epileptisch insult.

De beademingsbuis moet wachten: eerst moeten we het insult de kop in drukken. Het insult kunnen we met valium beëindigen en de patiënt wordt beademd met de beademingsballon. Nieuwe ronde nieuwe kansen. De lepel gaat voorbij de lippen en nee hè, opnieuw zet hij zijn tanden in het ijzer. Wat is hier loos? Hij is overduidelijk reanimatie behoeftig, heeft een stroomstoot gehad, laat zich niet intuberen maar wel beademen. Zijn echtgenote komt dichterbij staan en zegt: “Zolang ik in de buurt ben blijft hij leven.” Prima, wie zijn wij om haar tegen te spreken. Zolang ze niet op mijn handen gaat staan en me niet voor de voeten loopt ben ik snel tevreden. De patiënt krijgt weer spontaan een chaotisch hartritme en voordat we goed en wel de monitor kunnen gaan opladen bemoeit zijn vrouw zich ermee met de mededeling: “Als ik hem vast houd komt het goed met hem. Hij heeft mijn energie nodig om vol te houden.” Terwijl ik haar hoor argumenteren druk ik nogmaals op de laadknop van de monitor en wacht op de indringende toon die me laat weten dat het apparaat klaar is voor de volgende elektrische ontlading.

Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe de echtgenote de patiënt bij de voeten pakt en voordat ik het commando `alles los` kan geven zie ik het ritme zonder mijn ingrijpen terug keren naar een normaal hartritme. Ik sta met mijn bek vol tanden en kan niet bevatten wat hier gebeurt laat staan dat ik het kan beredeneren. Ik hou het er maar op dat het spontaan gebeurt en dat het niks te maken heeft met de magische handoplegging van mevrouw. Ook mijn collega begrijpt niet wat er allemaal plaatsvindt en ik zie hem twijfelen aan zijn eigen observaties. Ik trek mijn schouders op en zeg: “We gaan gewoon verder in het protocol, ik weet geen andere oplossing.” We mogen niet klagen, er is output en de ademhalingsfrequentie blijft laag, maar acceptabel. Hij laat zich niet intuberen en het lijkt wel of hij bewust aan het tegenwerken is, maar dat is geen logische verklaring. We besluiten om de situatie niet verder te vertragen en te gaan rijden met de patiënt. Met zuurstof en de beademingsballon kunnen we de tien minuten naar het ziekenhuis makkelijk overbruggen. De echtgenote zegt dat ze pal achter ons aan zal rijden en zo haar energiebanen tijdens de rit richting patiënt kan sturen. Ja, waarom niet? Wat een flauwekul denk ik, schiet nou maar op en stap in, dan zien we tijdens de rit wel verder. Ik moet bekennen dat de rit wonderbaarlijk rustig verloopt, de patiënt blijft een regelmatig hartritme houden. Bij het ziekenhuis rijden we de ambulancesluis in. De echtgenote moet haar auto buiten ons gezichtsveld parkeren en prompt krijgt de patiënt weer de hartritmestoornissen die we eerder gezien hebben. Voordat we kunnen defibrilleren komt de echtgenote de ambulancesluis inlopen en abrupt stopt de chaotische hartactiviteit en keert het normale hartritme weer terug.

Onbegrijpelijk en onverklaarbaar. Ik begin te twijfelen en vraag me in gedachten af of die energiebanen echt bestaan. Tijdens de overdracht op de hartbewaking vindt de verandering opnieuw plaats. Zolang de partner in de buurt blijft gaat het goed, maar zodra de afstand tussen haar en haar man teveel wordt, gaat het binnen enkele tellen mis. Als ik het ongelofelijke verhaal aan het personeel van de hartbewakingsafdeling vertel lijkt het of er een gestoorde de overdracht doet. Zo ervaar ik dat zelf tenminste. Ik hoor mezelf, geflankeerd door mijn collega, het verhaal vertellen en voel dat ze me niet serieus nemen. Ze kijken of ze het in Keulen horen donderen. Begrijpelijk, want ik zou zo’n verhaal ook met een korrel zout nemen. Ik ben blij dat de verpleger van de andere auto naast me staat en het verhaal kan bevestigen evenals de twee chauffeurs die instemmend staan te knikken.

Ben ik tenminste niet de enige zot die het verhaal vertelt en vier zotten op een rij die hetzelfde verklaren, moet toch duidelijk maken dat er meer is dan wij met ons verstand kunnen bevatten. De echtgenote blijft in het ziekenhuis en na een week wordt de patiënt ontslagen zonder restverschijnselen en zonder een concreet gestelde diagnose. Men heeft geen enkel idee wat er aan de hand geweest is. Natuurlijk hebben we ons afgevraagd of we dingen over het hoofd gezien hebben of dat we de situatie verkeerd hebben ingeschat.

Ik ben in al die jaren een grote diversiteit aan aandoeningen tegengekomen. Patiënten kunnen ziektebeelden al dan niet professioneel naspelen of simuleren maar ik ben nooit een patiënt tegengekomen die een hartstilstand met bijbehorende symptomen naspeelt. De uitdraai van de hartmonitor ligt voor ons en de cardiologen kunnen niet ontkennen dat het een hartstilstand is geweest die met een elektroshock terug gebracht is naar een normaal hartritme. Er zijn simulanten die zich zelfs laten intuberen, maar die zich in hun roep om aandacht vrijwillig laten elektrocuteren, is voor mij onvoorstelbaar. Mijn collega oppert om de casus in het team bespreekbaar te maken, maar ik kan me daar niet in vinden. Ondanks het feit dat we geen grip hebben op de, laten we zeggen, bovennatuurlijke situatie en de onverklaarbare feiten waar zelfs specialisten geen raad mee weten, heb ik niet het gevoel, dat wij iets wijzer zullen worden. Qua casuïstiek voegt het niets toe aan hetgeen we al weten. Soms moet je bepaalde zaken laten rusten, niet overal zijn antwoorden voor en je maakt het voor jezelf alleen maar moeilijker als je dingen wilt begrijpen die niet te begrijpen zijn.

Meer lezen? http://www.boekenbestellen.nl/boek/maar-ik-heb-helemaal-geen-centjes-voor-de-begrafenis/9789081840002

Niet zo lekker op de trekker!

31 dec 15
R.A. de Jong
No Comments

Dit zijn meldingen waarvan je gelijk misselijk in je buik wordt. Wat is er leuker dan een vriendinnetje wiens pappa een tractor heeft. Zo ook dit meisje van rond de zeven jaar oud.

Eindelijk mag ze met het buurmeisje en haar pappa mee op de trekker. De tractor is een fors exemplaar en voorzien van afsluitbare cabinedeuren. Dat zou de veiligheid moeten waarborgen. Ze hebben waarschijnlijk pret voor tien. Wat er mis is gegaan, is nooit duidelijk geworden. De extra stoelen van de tractor bevinden zich aan weerszijden van de bestuurder. De deur is gesloten als ze gaan rijden. Een onverwachte beweging of een deur die misschien niet goed in de vergrendeling zit, wie zal het zeggen. De deur slaat open en het kleine meisje verliest haar evenwicht. Ze belandt tussen het linker voor- en achterwiel van de trekker.

Het is onduidelijk of ze overreden is door de tractor. Als we aankomen lijkt het mee te vallen, ze is aanspreekbaar en aan haar hoofdje is niets te zien. Wonder boven wonder heeft ze geen schedelletsel. Ze heeft heel veel pijn en is doodsbang voor alles wat komen gaat. De melding is als ernstig ingeschat en de traumaheli is ook onderweg. Gelukkig laat ze het prikken van een infuus toe. Bij jonge kinderen is dat negen van de tien keer een crime. Ik wil niet teveel tijd besteden aan het prikken. Sommige kinderen zijn extreem angstig voor prikken en naalden en een half uur op ze inpraten voordat je ze kan prikken is geen uitzondering. En dan maar hopen dat ze geen onverwachte bewegingen maken. Een tweede kans om te prikken geven ze je niet. Dit meisje werkt voortreffelijk mee en het infuus zit bij de eerste poging goed. Ze krijgt pijnstilling en we kunnen kijken waar het letsel uit bestaat.

De tractor bestuurder is de weg helemaal kwijt. Hij vertelt dat, toen de deur openklapte, hij vol op de rem heeft gestampt en gelijk stil stond. Door de tegenliggers heeft hij stapvoets gereden. De toedracht is me duidelijk. Ze ligt tussen het voor en achterwiel in. Dat ze overreden is lijkt me niet waarschijnlijk. Voor het voorwiel kan ze niet gevallen zijn de cabinedeur zit te ver naar achteren. Daarbij ligt ze voor het achterwiel. Via de porto hoor ik dat de heli bezig is met de touch down. Gelijk volgt er overleg met de heli-arts. In slaap brengen en beademen lijkt ons de meest voor de hand liggende behandeling. Als ze gecontroleerd beademd wordt, is ze in ieder geval verzekerd van een adequate ademhaling en kan braaksel geen gevaar meer opleveren voor de longen. Ze wordt snel en deskundig door het traumateam onder narcose gebracht en aan de beademing aangesloten. We kunnen haar nu rechtstandig tussen de wielen vandaan trekken en zien dat de linkerzijde van haar kleding stuk is.

Crushletsel flitst het door me heen. Inderdaad, bij het ontkleden is de gehele linkerzijde van boven tot onder diepblauw verkleurd. Ze moet een klap van het wiel gekregen hebben en is vermoedelijk een klein stukje opgeduwd door het grote tractorwiel. In onderling overleg besluiten we dat ze met de heli mee gaat. De aanrij route naar het dichtstbijzijnde traumacentrum is vanaf de locatie lastig en de heli gaat toch die kant uit omdat het traumacentrum hun uitvalsbasis is. Wonder boven wonder geneest het meisje volledig en mag ze na een week het ziekenhuis verlaten. Onvoorstelbaar maar ze heeft geen blijvend letsel overgehouden aan haar avontuur. Na een maand informeer ik naar haar toestand en de ouders vertellen me dat hun dochter over een tijd graag kennis wil maken met mij. Ik zeg dat het een kleine moeite is om daar gehoor aan te geven.

Groot is dan ook mijn verbazing als ik ruim vijf jaar na het ongeval een briefje in mijn postvak vind met het verzoek om de familie te bellen. Aan het kengetal kan ik zien om welke gemeente het gaat, maar ik kan er geen patiënt aan koppelen. Als ik bel blijkt het de moeder van die kleine meid te zijn. Haar dochtertje heeft het vaak over het ongeval gehad en wil me na jaren dolgraag ontmoeten.

In Amerika komen dit soort vragen en contacten frequent voor. Daar worden hulpverleners je beste vrienden, die de rest van je leven over de vloer komen en alle gelegenheden aangrijpen om mee te barbecueën. Hier is het afstandelijker en van Amerikaanse toestanden is geen sprake. Ik plan het bezoek op een dag dat ik solodienst heb. In overleg met de moeder spreek ik af dat ik tijdens de schoolpauze voor de deur zal staan. Aangekomen bij het schoolplein komen moeder en dochter naar buiten. Het meisje is inmiddels een jaar of twaalf.

Ze heeft een mooie tekening gemaakt en van haar eigen zakgeld een grote zak drop voor me gekocht. Ik vraag haar moeder of ze mee mag met de solo auto voor een ritje door de woonwijk. Moeder vindt het goed en dochterlief vindt het prachtig om met blauwe lichten en gillende sirene door de woonwijk te rijden. Jaren later is haar wens alsnog vervuld. Ik heb het niet eerder meegemaakt dat een kind vijf jaar later alsnog contact zoekt met een hulpverlener. Er heeft jaren tussen gezeten, maar ze is het niet vergeten. Dit soort ontmoetingen geven een goed gevoel en je weet weer waar je het allemaal voor doet.

Voor meer verhalen kijk op de site: http://ambulancehulpverlening.com/pagina-2/

 

Leg hem maar in de schuur!

16 dec 15
R.A. de Jong
6 comments

We zitten in de stromende regen als verzopen katten een behoorlijk lange tijd te reanimeren, twee ambulances en een ploeg van de vrijwillige brandweer zijn erbij aanwezig. Gezien het verloop van de reanimatie is er waarschijnlijk meer aan de hand dan primair ventrikelfibrilleren (chaotische hartactiviteit). Het besluit om de reanimatie te staken kan niet uitblijven. Ik vraag de rest van de ploeg om alle apparatuur en slangen af te koppelen en zeg dat ik de familie in ga lichten en een plek ga zoeken waar we de patiënt neer kunnen leggen.

Ik stiefel de van plavuizen voorziene bijkeuken in en loop richting huiskamer. Daar ligt een keurig en lichtgekleurd hoogpolig tapijt. Het zou niet bij me opkomen om met een paar bemodderde kisten door te banjeren naar de huiskamer. Ik ben amper de bijkeuken ingelopen, druipend van de regen, of de echtgenote vliegt als door een wesp gestoken naar me toe.”Hup, schoenen uit jij, ik ben nogal schoon op mijn spullen.” Ik denk eerst dat ik het niet helemaal goed verstaan heb en zeg: “…Pardon.” Ze komt vlak voor me staan en herhaalt haar eerste opmerking, ik denk nog even en ze vliegt uit haar zwarte kousen. Ik kijk haar aan en zeg: “Ik peins er niet over, ik kom hier om te vertellen dat uw man overleden is en u maakt zich druk om wat troep op een plavuizenvloer.”

Ze kijkt me met een vernietigende blik aan en neemt kennis van het overlijden van haar man. “Nou ja” zegt ze, “Ik had ook niet verwacht dat hij erdoor zou komen.” Ik besluit om niet in te gaan op haar botte commentaar, want ik voel op mijn kisten aan dat het een uitermate onplezierige tante is. Ik kijk rond in de keuken en vraag haar of ze beneden ergens een bed heeft staan. Ze kijkt me niet begrijpend aan en ik verduidelijk dat we haar man binnen willen neerleggen op een bed totdat de begrafenisondernemer arriveert. “Niks ervan, geen haar op mijn hoofd die eraan denkt” zegt ze. Even denk ik dat ze het over iets anders heeft en ik zeg: “Hoezo niks ervan?” “Hij komt hier niet binnen” zegt ze, “Leg hem maar in de schuur daar zat hij toch altijd het liefst.”

Nou, als ik haar zo bekijk kan ik hem geen ongelijk geven. Ondertussen begin ik me aardig te irriteren aan die arrogante tante en zeg resoluut:” Nou moet u eens goed naar me luisteren, we komen hier voor de reanimatie van uw man en we worden afgebluft en behandeld als een paar schooljongens. Uw man is overleden en hij wordt hierbinnen neergelegd, of u het er nu mee eens bent of niet. Hij heeft toch wel enig recht op respect en waardigheid lijkt me.” Zo, dat is eruit, het zal me niks verbazen als ze al bezig is om een klacht te formuleren, terwijl we hier nog bezig zijn. Misschien heeft ze de brief al gepost voordat we manlief goed en wel op het logeerbed hebben liggen. Nou ja dat moet dan maar, misschien krijgt ze nu wat tegengas in al die jaren, want ze knikt en beent weg. Een koppel brandweermensen komt binnen met de patiënt op de schepbrancard, alle drie dik onder de modder en druipend van de regen. Ik kan me nog net inhouden om hierover een opmerking te maken terwijl ze naar binnen stommelen.

Moeders is inmiddels opnieuw gearriveerd, en vraagt aan mij: “Wat nu verder?” Ik zeg: “Ik zou de begrafenisondernemer kunnen bellen en vragen of hij de afhandeling wil regelen, dan gebeurt het opbaren in het mortuarium en daarna kan uw man thuis opgebaard worden of in het mortuarium al naar gelang wat hij wil of jullie onderling afgesproken hebben.” Ze vraagt of thuis opbaren goedkoper is en ik vertel haar dat ik dat niet weet maar dat ze dat kan overleggen met de uitvaartleider als hij er is.

Terwijl ik met haar in gesprek ben bemoeit een gearriveerde buurman zich er voor het gemak maar even mee en begint uit te leggen hoe een en ander in zijn werk gaat. Ik geef aan dat, als hij het allemaal zo goed weet, hij misschien beter mijn gesprek af kan maken en verder alles gaat regelen wat nodig is. Nu komt de wind onverwachts uit een andere hoek waaien: is die vrouw eindelijk te benaderen, begint die buurman weer. “Mijn vrouw is pas overleden dus ik weet precies hoe het werkt” zegt hij. In gedachten vraag ik me af: “Zou zij ook een moestuin gehad hebben?” Het is in ieder geval een leuk stel voor de toekomst. Hij die alles weet en zij die alles schoon houdt.

Mensen reageren heel verschillend bij het overlijden van een partner, soms zijn het onvoorspelbare emoties en soms is er duidelijke opluchting als er één het loodje legt. Hulpverleners die daar bij betrokken zijn, staan soms raar te kijken van de reacties die ze ongevraagd van nabestaanden te horen krijgen.

Ik hoor een echtgenoot vlak na het overlijden van zijn vrouw letterlijk tegen ons zeggen: “Neem haar maar gelijk mee dan kunnen ze haar zo snel mogelijk verbranden.” Eerst denk ik dat ik het verkeerd verstaan heb. Mijn collega kijkt me aan en ik ontwijk zijn blik. Ik doe alsof ik zijn opmerking niet gehoord heb en zeg: “Misschien kunt u wat kleding klaarleggen voor als de begrafenisondernemer straks komt.” Waarop hij zegt: “hoezo, ze kan toch gewoon aanhouden wat ze nu aanheeft?” “Meneer de kleding die ze aanheeft hebben we helemaal kapot geknipt” zegt mijn collega. “Ja, so what?” zegt hij. “De kist gaat gelijk dicht en over een paar dagen gaat de brand erin, niemand die het weet. Ze is dood nu en het is voor mij over en uit.” Mijn collega en ik staan perplex.

We moeten altijd netjes zijn, begrijpend, empatisch etc., maar wij zijn ook gewone jongens die zo goed mogelijk ons werk doen maar zeker niet gevoelloos zijn en soms dwalen onze gedachten en opmerkingen wel eens een wat minder professionele kant op. Twistende of opstandige echtgenoten komen we tegen, maar ook meewerkende partners die een onderlinge band hebben die ons begrip te boven gaat.

Meer lezen? http://www.boekenbestellen.nl/boek/maar-ik-heb-helemaal-geen-centjes-voor-de-begrafenis/9789081840002