Blog Detail

Hoe onwel kan je zijn?

10 nov 15
R.A. de Jong
No Comments

Vaak heb je geen aanvullende gegevens bij een melding en de meldkamer was vroeger nog niet zo professioneel dat er telefonisch instructie werd gegeven aan omstander of melder. De betreffende patiënt bevindt zich in een stacaravan en ligt languit in de smalle doorgang. Er is een zus van de patiënt aanwezig die geen aanstalten maakt om enige actie te ondernemen. Niemand is gestart met reanimeren. Het enige wat ik haar constant hoor zeggen is: “Kom maar terug Hans. Ik ben niet boos op je, kom gewoon weer aan tafel zitten. Dit is toch geen oplossing! Kom terug dan praten we er over.” Ik ben na al die jaren het nodige gewend maar deze situatie geeft me toch een beetje een unheimisch gevoel. Er hangt een ondefinieerbare occulte sfeer in de caravan die me totaal niet aanstaat. Ik vind het prima als iemand dood is maar dan moet hij ook dood blijven, of gecontroleerd met behulp van reanimatie terugkomen. Ik merk dat dit geen standaard inzet gaat worden. Met enig duw- en trekwerk krijgen we de Nederlandse Char uit onze nabijheid en kunnen we met de reanimatie beginnen. Inmiddels is de 2e auto gearriveerd en gezamenlijk zijn we ruim drie kwartier aan het reanimeren De prognose is zonder meer slecht te noemen we krijgen geen enkel ritme op de hartmonitor te zien. De enige activiteit die we zien is afkomstig van onze hartmassages en ook op toegediende medicatie volgt geen enkele reactie. De verpleger van de 2e auto is een ervaren collega en in onderling overleg besluiten we dat verder reanimeren geen zin meer heeft. We gaan binnen een paar minuten de reanimatie beëindigen. Einde oefening zou je denken maar de ellende begint nu pas goed. Ik spreek af dat ik de familie in ga lichten omdat ik als eerste ambulance gearriveerd ben en daardoor automatisch de leiding heb. Mijn collega gaat de patiënt ontkoppelen van de beademingsapparatuur, infusen en overige attributen.

Ik loop naar de naastgelegen caravan waar Char me op staat te wachten en verwijtend aankijkt. Ik deel haar mee dat haar broer ondanks uitvoerige reanimatie overleden is hetgeen ze natuurlijk ontkent. Op zich klinkt dat bekend. De eerste reactie in dit soort situaties is over het algemeen ontkennen en het is een logische en menselijke reactie. Het is meer de intonatie in haar stem die me niet lekker zit. Ik besluit haar met rust te laten en loop naar de twee jonge kinderen die na een recente scheiding dit weekend net bij hun vader doorbrengen. De kinderen hebben een zware periode achter de rug en nu als klap op de vuurpijl de mededeling dat hun vader overleden is. In ons vak weet iedereen dat dit soort gesprekken een forse impact hebben op nabestaanden, maar als de toehoorders jochies van een jaar of dertien zijn, wordt het uitermate onaangenaam. Char zit op de achtergrond maar te koeren dat Hans rustig terug kan komen en dat ze zijn aanwezigheid voelt in de kamer, dat ze niet zo rot had mogen doen en haar opmerkingen niet persoonlijk bedoeld zijn. Geen idee wat er omgaat in dat hoofd van haar. Ik heb mijn zegje gedaan en besluit het qua mededelingen voor gezien te houden. Ik moet teruggaan naar mijn collega die inmiddels wel klaar zal zijn met het verwijderen van slangen en draden. Waarschijnlijk hebben ze de patiënt al op een bed neergelegd. Ik zie de lijkwagen het terrein op rijden.

Ik loop de caravan binnen en zie mijn collega op een vreemde manier naar me kijken. “We hebben een probleem!” “Hoe bedoel je, een probleem” vraag ik, totaal niet wetend waar hij op doelt. “Kijk eens langs me heen in de kamer dan wordt het je snel duidelijk.” Ik schrik niet gauw maar opeens zit het hart in mijn keel, hij ligt daar nog steeds zoals ik hem achtergelaten heb maar met opensperde ogen en zijn borstkas gaat regelmatig op en neer, het gaspen is veranderd in een regelmatige adequate ademhaling. Hij beweegt zijn beide armen en ik denk: “Shit nog even en hij geeft ons een hand.” Ik kijk mijn collega aan en vraag: “Ja en nu?” ” Zeg jij het maar, jij hebt de leiding,” is het antwoord. Ondertussen staat de uitvaartleider in mijn rug te porren en ik doe een stap opzij en wijs naar de patiënt. Hij kijkt en ik zie zijn ogen groot worden. Ik heb inmiddels mijn humor weer terug en fluister tegen hem: ” Jij neemt hem zo niet mee zeker of wel?” Hij schudt zijn hoofd en zegt: “Moet ik blijven wachten?” waarop ik zeg dat hij kan gaan. Als het alsnog nodig is weet ik zijn nummer en bel ik gewoon een 2e keer. Ik weet zeker dat hij nooit eerder bij een overledene geweest is die na zijn aankomst aanstalten maakt om zelf in te stappen.

Het opnieuw inbrengen van beademingsapparatuur is geen optie. Alle vitale functies werken weer, hij gaat nog net niet staan maar ook dat zou me niet meer verbazen. We besluiten hem naar de spoedeisende hulp te brengen en dan moeten ze daar maar kijken wat ze met hem aan willen. Er is hartritme en ademhaling maar hij moet volledig hersendood zijn. Dat kan gewoon niet anders. De 2e auto regelt het vervoer naar de spoedeisende hulp en ik kan opnieuw met de familie in gesprek met een ongeloofwaardig verhaal. Ik zie de spottende blikken van Char al voor me. Maar hoe vervelend het ook is, ik moet ze gaan informeren over de verandering in de situatie. Zuslief staat me met haar sardonische grijns in de deuropening op te wachten. Heeft haar broer haar op voorhand telepathisch ingelicht of zo? Heeft ze een directe lijn met gene zijde? Wat gebeurt hier in vredesnaam? Ik ga tegenover de twee jochies zitten en vertel in begrijpelijke woorden dat hun pappa toch naar het ziekenhuis gaat, dat hij ademt en zijn hart weer klopt, maar dat hij nooit meer wakker zal worden. Na wat ik zojuist gezien heb, zou het me niet verbazen als hij na mijn terugkomst aan de tafel zit met een bak koffie. Ik zie de tweestrijd bij de twee jochies en ik weet niet of het volledig tot ze doordringt wat ik vertel. Char vraagt me hatelijk of dit vaker gebeurt bij patiënten die ik reanimeer. Heel professioneel vertel ik dat dit soms gebeurt na een reanimatie. Toegediende medicijnen hebben een specifieke uitwerking tijdens een reanimatie en soms treedt er een verlate reactie op. Deze reactie kan bestaan uit een terugkerend hartritme en ademhaling. Leuk verhaal en het klinkt goed. Zou ik het zelf geloven als ze mij dat vertellen in zo’n situatie? Ik zou mijn twijfels er over hebben en waarom zou dat bij hen anders zijn?

Hans is inmiddels afgevoerd naar het ziekenhuis en de cardioloog heeft verteld dat het dotteren van een hersendode geen oplossing is en niet onder zijn competentie valt. Ze besluiten dat hij opnieuw voorzien moet worden van infusen etc. en daarna doorgaat naar de Intensive Care. Op de IC ligt hij een kleine week aan de bewakingsapparatuur en wordt daarvandaan naar de High Care van de neurologische afdeling overgebracht. Op de afdeling neurologie heeft de familie in de hoek van de kamer een plek ingericht met een soort voodoo pop, ik heb het zelf niet gezien maar het personeel van de afdeling vertelde me dat onder vier ogen. Ze hebben een vreemd gevoel bij deze patiënt, gelukkig zijn ze niet de enigen die er last van hebben. Het hele gebeuren laat me niet los ik blijf er een raar gevoel bij houden. Na een verblijf van zeven dagen op de neurologische afdeling overlijdt hij plotseling. Ik hoor het via een collega en neem gelijk contact op met de medewerker van het mortuarium. Ik vraag of Hans inderdaad bij hem in de koeling ligt.

Hij bevestigt dit en vraagt sinds wanneer ik interesse heb voor de doden. Ik heb niet zo’n zin in een uitgebreide conversatie en hoor mezelf zeggen: “Doe me een plezier en kijk hoe hij erbij ligt.” Zijn spontane en begrijpelijke reactie is: “Zeg spoor jij wel helemaal, hoezo kijken? Hij ligt nog net zo als ik hem neergelegd heb of denk je dat ik hier beneden af en toe een stukje met ze ga wandelen?” “Nee man, kijk nou even, het heeft te maken met mijn eigen gemoedsrust en ik zal je volgende week het hoe en waarom wel uitleggen” zeg ik tegen hem. Met tegenzin gaat hij akkoord en ik hoor hem mopperend weglopen. Iets in mijn stem zegt hem dat ik dit keer niet loop te dollen en honderd procent serieus ben. Ik hoor de deur van de koeling open gaan en daarna het bekende geluid van rammelde wielen van een transportbak die over metalen rails getrokken wordt. Na een paar minuten is hij terug met de mededeling: “Nou gelukkig voor je, hij ligt er nog en zo te zien heeft hij geen aanstalten gemaakt om eruit te kruipen.” Ik bedank hem voor zijn medewerking en vraag of hij een seintje wil geven als Hans definitief vertrekt uit het mortuarium. De volgende dag belt hij dat ze Hans komen halen en af zullen voeren naar een aula in zijn woonplaats. Nu ik zekerheid heb kan ik het hele gebeuren loslaten. Ik heb het er nog wel eens over gehad met mijn collega die erbij betrokken was. Was hij een beginneling geweest dan had ik ernstig getwijfeld aan mijn primaire diagnose en eigen interpretatie. We hebben er nooit meer iets van gehoord. Hij is niet komen spoken bij volgende reanimaties en komt me ook niet opzoeken in mijn privé leven, wat een rustgevend gevoel is. Char heeft het zo gelaten maar ik denk dat zij in haar dagelijks lijntje met Hans zit te gniffelen om onze verbijsterde reacties. Zo blijkt dat niet alles is wat het lijkt, van het ene op het andere moment kan je in de meest bizarre situaties terecht komen.

Meer praktijkverhalen? Lees ze in mijn boek: http://www.boekenbestellen.nl/boek/maar-ik-heb-helemaal-geen-centjes-voor-de-begrafenis/9789081840002

Leave A Comment

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.