Blog Detail

Maar ik heb helemaal geen centjes voor de begrafenis!

22 jan 17
R.A. de Jong
9 comments

Lang geleden, nooit vergeten…als de dag van toen!

Het is aan het eind van de middag als er meerdere meldingen binnenkomen over een zeer ernstig ongeval op de provinciale weg. We kennen deze weg als een plaats waar vaker zware ongevallen voorkomen. De meldingen die gedaan worden door passanten van het ongeval zijn divers, sommigen spreken over meerdere doden en anderen over zes, zeven zwaargewonden waaronder kinderen.

Uit de meldingen kunnen we opmaken dat het goed mis is. Wij vertrekken als eerste ambulance en de centrale gaat meerdere ambulances vrijmaken die ze naar het ongeval kunnen sturen. Ik weet uit ervaring dat het een rot gevoel is om als eerste ambulance aan te komen bij een ongeval waar je meerdere gewonden aantreft. Ik bereid me erop voor dat het geen standaard ongeval is en zeg tegen mijn collega: “Ik ben benieuwd wat we aantreffen, aan de meldingen te horen is het behoorlijk heftig”. Hij knikt en concentreert zich op het rijden. Ik ben blij dat ik met een ervaren collega rijd, dat is bij dit soort meldingen een geruststellende gedachte, als je weet wat je van de ander kan verwachten en hoe hij werkt.

Na een minuut of zes arriveren we nog vóór de politie en brandweer bij het ongeval. Over tientallen meters zien we spullen over de weg verspreid liggen, kleding, kinderspeelgoed en kinderfietsjes. In een flits schiet er door mijn hoofd: Er zijn kinderen bij betrokken, hoeveel, hoe ernstig? De beide auto’s hebben zich frontaal in elkaar geboord en zijn volledig verwrongen. Aan de achterzijde kunnen we zien om wat voor auto het gaat, aan de voorzijde is niet meer te zien om welk merk het gaat. Ik zeg tegen mijn collega: “Bereid je maar op het ergste voor, dit is heel hard gegaan”. Hij zegt: “Ja ik zie het, wat een ravage”. We parkeren de ambulance deels naast het dichtstbijzijnde voertuig om de omstanders het zicht op het ongeval te ontnemen en stappen uit.

“Eerst snel kijken hoeveel gewonden er zijn en hoe ernstig ze eraan toe zijn” zeg ik tegen mijn collega. Hij zegt: “Ik zie een man of vijf zes die allemaal bekneld zitten, ik vraag alvast om vijf extra auto’s en de brandweer”. Mooi zo, hij houdt van aanpakken en weet precies wat ik van hem verwacht. Ik kijk in de eerste auto en zie twee patiënten die gewond zijn maar allebei nog aanspreekbaar, ik vertel hun dat er meer hulp onderweg is en loop naar de tweede auto. Ik kijk naar binnen en zie dat de bestuurder is overleden, ik buig verder de auto in en voel de halsslagader van de vrouwelijke bijrijder: geen polsslag en gebroken ogen. Ook overleden. Ik hang half over de voorstoel en probeer de achterbank te bereiken. Shit, twee jonge kinderen. Met trillende vingers zoek ik de halsslagader op en voel naar pulsaties, niets te voelen, nog een keer proberen, nee geen hartactiviteit, en de oogjes zijn dof. Ik slik en wend mijn gezicht af. Ik kijk naar het andere kindje en zie de borstkas bewegen.

Ik schreeuw naar mijn collega: “Dit kindje leeft nog, waar blijft die brandweer? Hij moet er zo snel mogelijk uit, ik kan er niet bijkomen zo”. De auto is zo verwrongen dat ik nergens ruimte heb om in het voertuig te komen. Ik kan net met mijn uitgestrekte hand bij hem komen en met mijn vingertoppen kan ik zachtjes over zijn wang aaien. Hoe oud zal dat ventje zijn? Zeven jaar, misschien acht. Terwijl ik hem over zijn wang aai, vraag ik om een laken om de overleden ouders en zijn zusje af te dekken. De brandweer is gearriveerd en zij vragen aan mij: “Waar wil je ons als eerste hebben?” Ik zeg: “Hier, dit kind moet er als eerste uit, de rest kan wachten”.

De brandweer begint met het klaarzetten van de bevrijdingsmaterialen en de gewondenverzorger van de brandweer probeert een stuk afdekfolie tussen het jochie en het raam te krijgen zodat ze het achterraam eruit kunnen halen zonder het jongetje te verwonden. Vlak daarna moet het achterraam er met een centerpons aan geloven. Ik zeg: “Even wachten jongens, dan kan ik kijken of zijn vitale functies in orde zijn”. De brandweer maakt ruimte en ik kan nu eindelijk via het open raam iets beter bij hem komen. Ik voel naar de halsslagader en controleer de ademhaling. De pupillen reageren goed op licht en ik zie hoe de oogleden bewegen. Ik kan geen uitwendig letsel vinden op een paar schaafwonden na. Waarschijnlijk heeft hij weinig letsel opgelopen, de rechter achterzijde van de auto is het minst vervormd. Ik schud hem aan en langzaam opent hij zijn ogen. Met grote schrikogen kijkt hij me aan en vraagt wat er gebeurd is. Ik vertel dat er een ongeluk geweest is met de auto. “Waar zijn mijn pappa en mamma?  vraagt hij. Gelukkig wordt het zicht naar voren belemmerd door de folie en de lakens die over zijn ouders heen liggen. “Straks” zeg ik tegen hem, “we gaan eerst jou uit de auto halen, hoe heet jij?” Ik ben Bart en mijn zusje heet Ilse. Hij kijkt naar links en vraagt waarom er een laken over zijn zusje heen zit. Ik stap snel over op een ander onderwerp en vertel dat de brandweer de auto open moet knippen om hem eruit te kunnen halen en dat de lakens bedoeld zijn om te voorkomen dat hij stukjes glas in zijn ogen krijgt. Dit antwoord stelt hem even tevreden en hij stelt geen vragen meer. Met een nieuwsgierige blik kijkt hij naar de vele brandweermensen. Ik geef hun een seintje dat ze verder kunnen gaan met het bevrijden van het slachtoffer.

Inmiddels zijn er meerdere ambulances gearriveerd en ze komen me vragen waar ze moeten beginnen. Ik dirigeer de tweede ambulance naar het andere voertuig en vraag aan de verpleger of hij de rest van de auto’s wil instrueren. Ik wil zelf bij het kind blijven dat nu bevrijd wordt. Na een kleine vijftien minuten is er voldoende ruimte gemaakt met de hydraulische schaar en spreider dat we het kind uit de auto kunnen tillen.

Ik zeg tegen hem: “Heb je ergens pijn? Kan je je armen en benen bewegen?” Ik probeer zo luchtig mogelijk tegen hem te praten en hoop maar dat hij geen gerichte vragen gaat stellen. Hij geeft snel antwoord op mijn vragen en wonder boven wonder blijkt hij niks te mankeren op een paar blauwe plekken en schaafwonden na. Nogmaals kijk ik of ik niks over het hoofd zie maar ik kan geen letsel ontdekken. Misschien dat hij inwendig letsel heeft maar daar lijkt het op dit moment niet op.

“Kom maar kerel, sla je armen om mijn nek dan zet ik je in de ambulance. Heb je daar wel eens ingezeten?” Hij schudt ontkennend zijn hoofd. Met zijn armen stijf om mijn nek geklemd en mijn handen om hem heen geslagen loop ik naar de ambulance en laat hem op de brancard zakken. Ik kijk hem aan en zeg: “Ik wil nog één keer kijken of je niets mankeert en wat kleine onderzoekjes doen. Ik zal je geen pijn doen en ook geen prik of zoiets geven, is dat goed?” Hij knikt en laat zich nog een keer uitgebreid onderzoeken. Ondertussen probeer ik wat vragen te stellen over de toedracht.

Hij vertelt dat ze onderweg zijn naar een camping een paar kilometer verderop. Ze zijn gelijk nadat pappa uit het werk kwam vertrokken. Ik vraag hem waar hij woont en de woonplaats ligt niet verder dan twee uur rijden van de plaats van het ongeval. Een relatief klein ritje. Hij vertelt verder dat zijn pappa een beetje slaap had en dat mamma had gezegd dat ze dan beter even konden stoppen om wat te eten en te drinken. Pappa zei dat het nog maar een klein stukje was en dat ze net zo goed wat op de camping konden eten of drinken. Ineens had hij mamma horen gillen en verder wist hij niet wat er gebeurd was. “Wat is er gebeurd dan, hoe komt de auto zo stuk?” Waar zijn mijn pappa en mamma en waar is Ilse, zitten ze nog in de auto?”

Hoe moeilijk ik het ook vind, ik kan hem niet langer in onzekerheid laten. “Ja Bart, ze zitten nog in de auto”. “Ga je ze zo halen?  Ik wil naar pappa en mamma” begint hij te snikken. “Kom eens bij me zitten Bart” zeg ik, “jullie hebben een heel zwaar auto ongeluk gehad en de brandweer is bezig om pappa, mamma en Ilse uit de auto te halen”. Ik raap al mijn moed bij elkaar en zeg: “Bart ik moet je iets heel ergs vertellen,  je pappa en mamma leven niet meer”. “En mijn zusje” vraagt hij? “Is alles goed met Ilse?” “Nee Bart, ik vind het heel erg om te zeggen maar Ilse is ook overleden”.

Hij kijkt me met rode betraande ogen aan en snikt: “Zijn pappa en mamma en Ilse echt dood?” Ja Bart ze zijn allemaal dood hoor ik mezelf zeggen, mijn mond is kurkdroog, ik moet zorgen dat er professionele opvang komt voor hem. Hij veegt de tranen van zijn wangen en zegt met een bibberend stemmetje: “Maar ik heb helemaal geen centjes voor de begrafenis!”

Deze zin spookt al jaren door mijn hoofd. Zijn uitspraak heeft op me ingehakt, de onmacht en radeloosheid waar ik destijds mee geconfronteerd werd, heeft veel indruk op me gemaakt. Misschien heeft de impact die het op mij heeft gehad ook te maken met het feit dat ik zelf kinderen heb en ik mezelf ongemerkt de vraag stel: wat als dit mijn kind zou overkomen. Waarom blijft na honderdduizenden opmerkingen en uitdrukkingen van patiënten deze ene pakkende zin door mijn hoofd spoken? Ik denk omdat hij afkomstig is van een radeloos en volslagen onwetend kind. Ik vraag me af hoe zijn verdere leven is verlopen en of het nu goed met hem gaat.

De uitspraak van Bart is de titel van mijn eerder verschenen boek geworden.

http://www.boekenbestellen.nl/boek/maar-ik-heb-helemaal-geen-centjes-voor-de-begrafenis/9789081840002

9 Comments

  1. Saskia Meuwese januari 23, 2017 at 8:05 am Reply

    Deze blog laat iedereen precies zien wat jou kracht is….na 2 zinnen zit je als lezer al volledig in het verhaal en heb je het gevoel alsof je ter plaatste toeschouwer bent. Waar een doorsnee hulpverlener stopt omdat de protocollen dat zo beslist hebben, gaat Ronald een stapje verder. Wat heb je dit vreselijk pakkend geschreven. Ga zo door!

  2. Vicky januari 23, 2017 at 5:36 pm Reply

    Wauw brok in mijn keel en tranen in mijn ogen.
    Wat zijn jullie toch helden.

  3. Hans Luijmes januari 24, 2017 at 11:57 pm Reply

    Ik heb het boek gekocht toen het uit kwam en ik heb het in één keer uitgelezen. Ronduit geweldig geschreven, zonder sensatie. Een absolute aanrader !!!!

  4. Sandra januari 25, 2017 at 5:52 am Reply

    Misschien een idee om via fb Bart te achterhalen om te kijken wat er van hem geworden is.

    Ik wil dat boek graag lezen maar vind nergens een titel

    • R.A. de Jong januari 25, 2017 at 9:25 am Reply

      “Maar ik heb helemaal geen centjes voor de begrafenis” is de titel van het boek.
      de vind de link op mijn site onder info / boek

  5. Helen januari 25, 2017 at 3:59 pm Reply

    En dan zijn er nog “mensen” die jullie willen beletten om het werk te doen
    Respect hopelijk vind je bart ooit nog een keer ik kan míj in denken dat ook bart zich het zelfde van jou af vraagt

  6. Meneer de blauw januari 29, 2017 at 12:14 pm Reply

    Hallo,
    Wat een mooie blog. Helaas ook herkenbaar.
    Blog zelf ook en ben er stil van.
    Voor wat betreft hoe het met de jongen gaat… via de MKP kun je misschien achterhalen hoe en wat. Of je echt aan zijn gegevens kunt komen is misschien lastiger. Probeer het eens.
    Internet staat misschien ook het 1 en ander op.
    Gr. een collega in het blauw.

  7. Marana mei 14, 2017 at 10:37 pm Reply

    Dank je

  8. Veluwehof juli 29, 2017 at 8:13 am Reply

    Wat een ingrijpend verhaal. Ik kan begrijpen dat dit blijft hangen na al die jaren.
    Ik zie er naar uit om het boek te lezen.

Leave A Comment

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.